Pleidooi voor het niet-bouwen

Is een volledige bouwstop het enige wat rest in de strijd tegen onze uitbreidingsobsessie? Niet-bouwen is echter niet gelijk aan niets-doen. Dat illustreren de ontwerpers van RE-ST en Baukuh met hun ‘empathische’ studieopdracht voor het Klein Seminarie in Hoogstraten.

Dimitri Minten en Tim Vekemans in A+ 258, Fundamenten

Artikel

Vlaanderen graaft zich steeds dieper in een ruimtelijke crisis in. De vraag naar een duurzame omgang met ruimte, en dus een radicaal andere bouwcultuur, wordt zo steeds dringender. Moeten we een volledige bouwstop afkondigen? Vandaag is het misschien nog een radicaal idee, maar morgen kan het, bij ongewijzigd beleid, noodzaak worden. Nog meer bouwen stuit stilaan op financiële, ruimtelijke en ecologische grenzen waarvan de contouren steeds zichtbaarder zijn. Met zijn ‘Laatste Steen van België’ bekritiseerde Luc Deleu 35 jaar geleden al dat het land overspoeld werd door ondoordachte bouwsels die ten onrechte doorgaan voor architectuur. Hij vergelijkt onze bouwtraditie met een tafel waarop alles kan – het drama van het platte vlak dat nauwelijks fysieke of mentale obstakels opwerpt. Misschien is het moment gekomen om te erkennen dat onze bouweconomie één van de meest ecologisch vervuilende sectoren is, en ze radicaal te transformeren. Is een andere bouweconomie denkbaar? Een economie van niet-bouwen die ruimtelijke behoeften oplost zonder extra kubieke meters te verbruiken?

No is More!

Morsen met schaarse ruimte is een onverantwoorde luxe. Ze legt een te grote hypotheek op de toekomst. Bouwen, als economische motor, leidt, al dan niet bewust, tot overmatige ruimteconsumptie en botst zo met dwingende ecologische en sociale vragen. Er is al genoeg. Dat moeten alle gebruikers van de ruimte en alle architecten inzien. Aan het begin van de 21ste eeuw erven we immers, o.a. door betere bouwmethodes en -materialen, veel meer gebouwd patrimonium dan welke generatie ooit tevoren. Het is een maatschappelijke opgave, en meteen ook een ontwerpopgave, om te leren omgaan met de vergrijzing daarvan. Eerder dan nieuw aanbod te produceren, moeten ruimtelijke ontwerpers het binnen het bestaande patrimonium zoeken.

‘Niet-bouwen’ is de ontwerpattitude die ruimte beschouwt als een eindige grondstof. Architecten hebben echter geleerd om eerst te bouwen en dan pas vragen te stellen. Het omgekeerde is echter nodig. De blik van de architect is van grotere waarde als ze de verborgen kwaliteiten en middelen van het bestaande detecteert en mobiliseert. Waarom zou niet-bouwen het bouwen niet voorafgaan? No te vaak bieden we te weinig weerstand tegen de verleiding van het nieuwe als vervulling van (ruimtelijke) behoeften. De Engelse architect Cedric Price (1934-2003) suggereerde dat architectuur niet per se het probleem oplost. Een bekende anekdote spreekt boekdelen. “Maybe you don’t need a new house. Maybe you need to leave your wife” was zijn raad aan de man die met zijn vrouw een woning wilde bouwen. Controversieel? Wellicht. Maar ook inspirerend voor architecten die aansluiting zochten bij de toenmalige tijdgeest.

Niet-bouwen in de praktijk.

Het Klein Seminarie te Hoogstraten concludeerde, in de aanloop naar een Open Oproep-procedure voor de restauratie, renovatie en reconversie van het voorgebouw, reeds zelf dat zijn ruimtelijke noden beter ingepast werden binnen het aanwezige historische patrimonium dan in nieuwbouw. Tijdens de procedure bleek dat de scholencampus zelfs kampt met een historisch gegroeide overmaat aan gebouwen en open ruimten. Deze analyse opende de ogen van de directie.

Als ontwerpers (RE-ST i.s.m. Baukuh) geven we in samenspraak met de opdrachtgever gaandeweg vorm aan een zo zinvol mogelijke invulling van de beschikbare ruimte met zowel schools als buitenschools gebruik. We zetten diverse ruimtes weer op de mentale kaart van de gebruikers door dieper na te denken over de (huidige) behoeften van de school. Dit blijkt niet altijd vanzelfsprekend. Zo definieerde het wedstrijdontwerp de centrale speelplaats als hét kapitaal van de school, terwijl deze tot dan toe zelden ervaren werd als het échte centrum van de site. Deze suggestie leidde binnen het jaar tot een nieuwe dynamiek rond dit forum. Samen met haar leerlingen deed de school nog maar net een wereldrecordpoging om de grootste woordenpuzzel ooit te maken op dat plein.

De school herontdekt haar eigen ruimte en verleent haar nieuwe betekenis. Naar aanleiding van de Dag van de Architectuur werd via ‘één-op-één’-ontwerpend onderzoek het meervoudig gebruik van de in onbruik geraakte Eeuwfeestkapel uitgetest. Zoiets gebeurt al doende. Het ontwerp wordt niet vanaf de tekenplank opgelegd, maar ontstaat door samen mogelijkheden te exploreren. Als architecten suggereerden we om de kapel in te vullen als stille studieruimte. Dankzij de samenwerking met leerkrachten en leerlingen werd dat objectief verruimd. Door de kerkbanken aan de kant te schuiven, kregen ook andere initiatieven letterlijk ruimte, van een capoeira-sessie over een vloer-dambordspel tot een modeshow met verkeersveilige kledij of een ligconcert. Ondertussen rijpt het overleg met het stadsbestuur om de kapel in te zetten als gemeentelijk cultuurcentrum. Daarnaast is er een activiteitenkalender die het gebruik van de kapel tijdens de komende maanden verzekert. Van het één komt het ander; geleidelijk en op organische wijze wordt de ruimte terug omarmd en gebruikt. Hier bleek het niet moeilijk om de bestaande ruimte te heractiveren. De drempelvrees voor de Eeuwfeestkapel is erg klein omdat ze esthetisch sterk gewaardeerd wordt. Toch leert de ervaring dat het ontwerpen (stimuleren) van hergebruik niet kan afgedwongen worden. Het is eerder een kwestie van masseren, van empathisch ontwerpen.

‘Making nothing leads to something’

In de video Sometimes making something leads to nothingduwt Francis Alÿs een ijsblok door de straten van Mexico-City, tot er slechts een plas water rest. De in België geboren conceptuele kunstenaar reflecteert in zijn werk voortdurend over menselijke handelingen en maatschappelijke situaties. Dit werk toont aan dat menselijk handelen niet altijd ‘waardevol’ is. Omgekeerd kan je ook stellen dat ‘bewust iets niet maken’ – in dit geval ‘niet-bouwen’ – dat wel doet. Niet-bouwen staat dan voor: geen extra gebouwen toevoegen. Het is mogelijk de aanzet tot een innovatieve ontwerpmethodiek. Of eerder: een methode die we vergaten door onze obsessie met ruimtelijke uitbreiding. Ze begint bij het stellen van de juiste vragen door opdrachtgevers én ontwerpers. Ontwikkelen wordt zo een zaak van herstellen, renoveren, opruimen, herschikken, vervangen of slopen, als laatste uitweg. Deze houding is die van de rentmeester, eeuwenlang een gerespecteerd en zichtbaar beroep. In tijden van een ruimtelijke, economische en ecologische crisis moet de rentmeester misschien weer op de voorgrond treden. Dat is de andere rol die de architect kan vervullen. Het voorbeeld van het Klein Seminarie te Hoogstraten toont de rijkdom en intensiteit van deze ontwerpmethodiek. Eerst boden we inzicht in de overmaat van bestaande ruimte. Pas dan zochten we samen met de opdrachtgever naar zinvolle invullingen ervoor. Dat is niet enkel een fysieke operatie, maar evenzeer een mentaal eerherstel voor het bestaande. Soms noopt dat tot het bedenken van alternatieven die grenzen van de site overschrijden. Soms is overleg met de buren noodzakelijk. Niet-bouwen benadert de ruimte vanuit een hecht inzicht in wat er al is. Niet-bouwen is niet hetzelfde als niets doen. Het is een woord voor ‘anders werken’.

Dit artikel is gebaseerd op een onderzoek uitgevoerd door RE-ST, in samenwerking met Topotronic (NL), UHasselt onderzoeksgroep Arck en Fakton (NL).

Locatie
Artikel verschenen in A+ 258 ‘(RE)cycle (Re)Habilitate’, februari/maart 2016